A
Perforatievormen
Over het algemeen onderscheidt men 4 groepen:
1. ronde perforatie
perforatiegrootte = gatdiameter
2. sleuf perforatie - afgeronde hoeken
- rechthoekig
perforatiegrootte = sleuflengte en -breedte.
3. vierkante perforatie
perforatiegrootte = gatzijde
4. bijzondere, sierperforatie
B Steek/hartafstand gaten/deling
Dit is de afstand van de gaten, hart op hart
gemeten.
C Perforatie-opstelling bij sleufgaten
Langlopend, dat wil zeggen lengte sleuf parallel
met de plaatlengte kort- of dwarslopend, dat
wil zeggen lengte sleuf parallel met de plaatbreedte.
D Looprichting - zeefrichting
Indien geperforeerde platen worden gebruikt
om te zeven of te malen, is soms nadere opgave
van zeef/maalgegevens nodig,
bijvoorbeeld: de richting waarin het product
zich verplaatst over de zeef/maalplaat.
E Ongeperforeerde- of blinde rand
Hiermee wordt de niet geperforeerde rand tot
het begin van de
eerste perforatierij aangegeven. Door het perforeren
ontstaan oppervlaktespanningen. Door brede blinde
randen worden deze spanningen groter, waardoor
het vlakken van de platen moeilijker wordt.
F Braamzijde
Braam vormt zich aan de uitstampzijde van de
plaat en is niet geheel te voorkomen. De gevormde
braam is afhankelijk van de perforatie, dikte
en materiaal.
In Europa hanteert men de zogenaamde ÒEuroperf-codeÓ;
deze code houdt in:
Eerste letter:
R = rond
C = vierkant
H = zeskant
LR = sleuf, langgat met afgeronde hoeken
LC = sleuf, langgat rechthoekig (carre)
Het getal achter deze letters geeft het gat
aan in mm.
Tweede letter:
U = recht naast/boven elkaar
T = gelijkzijdige driehoekverdeling 600
Z = diagonaal-verdeling/verspringend
Doorlaatpercentage-formules
|